Ismail Ilgun

Ismail Ilgun, in 2016 bekend geworden door zijn 'hoodvlogs' over rellende jongeren in de Zaandamse wijk Poelenburg, maakte een NPO-docureeks over het fenomeen 'drillrap'. Hij zat bij Op1 om erover te praten, maar werd door presentator Hugo Logtenberg aangesproken op zijn 'lachje'.

Article continues after the ad

Op1 liet een fragment zien uit de docureeks. Hier zien we hoe een door Ismail geïnterviewde jongen contact heeft met de door de politie gezochte drillrapper Tyrece. "En jij staat erbij als die jongens contact met elkaar zoeken", zei Hugo. Ismail begon te lachen en dat viel dan weer niet zo lekker bij Hugo. "Ze zijn gewoon bij een dodelijke steekpartij geweest, waarbij iemand van hun leeftijd is omgekomen. Ik begrijp eigenlijk niet zo goed waarom je daarom lacht."

Bijna flauwgevallen

Ismail gaf aan dat hij de ernst van de situatie ter plekke niet helemaal door had. "ik was ook in shock toen dat gebeurde." Zijn gelach in de studio bleek achteraf gezien door de zenuwen te komen. Ismail zegt in een reactie op twitter dat hij ook bijna flauwviel van de angst voor het gesprek. "Voor de uitzending vond ik het echt eng. Ik had het gevoel dat ik zou flauwvallen, ik kreeg suiker en cola aangeboden. Ik was te nerveus, vandaar mijn stomme lachje. Ik ben ook blij dat de docu goed ontvangen is!"


Leo neemt het voor Ismail op

Later in de uitzending nam tafelgast Leo Blokhuis 't voor Ismail op. "Mag ik daar nog één ding over zeggen?", brak de muziekkenner in, "Want ik zag jou lachen en ik zag jou hem daar bestraffend op toespreken, maar ik weet ook dat jij heel gespannen bent en daar lach je van. Het zit me gewoon dwars dat jij over ernstige zaken moest praten en volgens mij uit spanning ging lachen." Hugo: "Het is goed dat je dat rechtzet".

'Bedankt Leo'

Ismail gebruikt zijn reactie-tweet ook om Leo te bedanken voor het bijspringen. "Ik kan de reacties niet geloven, Leo.. echt bedankt voor het opkomen.


Het tweede en laatste deel van Project Ismail: drillrap is maandag rond 21:25 uur te zien op NPO 3.